inspiratie

Lotje leert koken

Lotje Deelman was redactiechef van ELLE Eten, werkt al bijna 15 jaar voor de Allerhande en werkte achter de schermen aan televisieprogramma’s als MasterChef, de Worsten van Babel On Tour en De Nieuwe Lekkerbek. Ze at varkenspoot met Anthony Bourdain en flirtte met Gordon Ramsay in zijn Aston Martin. Lotje is (co-)auteur van meer dan tien kookboeken en is in haar keuken op het Drentse platteland nooit te beroerd om iets in de fik te steken. Op FavorFlav ventileert Lotje wekelijks wat haar bezighoudt. Met deze keer: de ontdekking dat gevulde koeken bakken net zo leuk is als ze eten.

Foto van culinair journalist Lotje Deelman

Ik kan bijna niet geloven dat je op een school iets anders kunt doen dan je nieuwe panterlegging showen, gevulde koeken eten en spijbelen. Maar voor het eerst van mijn leven wil ik alles weten. Een gevoel dat nog het meest op honger lijkt, maar dat niet over gaat, wat je ook eet. Het verschil tussen Zeeuwse en Amerikaanse bloem, hoe je nierbroodjes maakt, wat Dubarry betekent (alles waar bloemkool in zit), hoe je een zeetong moet fileren om er een Sole Colbert van te maken. Ik vind het allemaal helemaal te gek.

Ontspoorde jongeren

Ik ben zeventien jaar oud en ik zit op de culinaire vakschool. De leerlingen op die school zijn een bonte verzameling langdurig werkelozen, matrozen op de grote vaart, min of meer ontspoorde jongeren (meestal meer), Jonnie Boer, en een enkele verdwaalde gymnasiast. Ik dus. Ik ging zo van Caesar en Homerus, waar ik geen enkele band mee voelde, naar vaktheorie (kappertjes zijn de ingelegde, ongeopende bloemknopjes van de kappertjesstruik), menuleer en keukenfrans. Ik was een spons. Eindelijk nuttige, eetbare informatie.

Wat moet het geweldig zijn als je als kind van vijf al weet dat je Formule 1 coureur wilt worden, of wereldberoemd. En dat dat dan lukt. Ik stond dus niet mijn hele jeugd op een krukje naast mijn moeder fanatiek koekjes te bakken. Ik kan me wel herinneren dat ik als kleuter al weigerde Smac en ravioli uit blik te eten, toetjes uit een pak niet zo lekker vond (Bessola, soort chemische oorlogsvoering) en mijn neus ophaalde voor afhalen van de Chinees.

Motherfuckers

Ik wist echt niet wat ik wilde worden. Misschien wel kok, maar eigenlijk liever journalist. Voor de school voor journalistiek was ik afgewezen omdat ze vonden dat ik niet scherp genoeg formuleerde (how do you like me now, you motherfuckers).  Dus eerst maar kok. Wel graag zo snel mogelijk (een beetje millennial-achtig). Dat kon, op de culinaire vakschool. Na twee maanden was je scheepskok (dat was me dan weer een beetje té avontuurlijk), en drie maanden later mocht jezelf restaurantkok noemen.

Goed in gebakjes

Ik leerde met de hand mayonaise kloppen, met een schaar van witbrood een knip wit maken, halve varkens uitbenen en hoeveel keer je bladerdeeg moet toeren en draaien. Ik zie me nog het aantal toeren en kwartslagen turven in een laagje bloem op mijn werkblad. Ik was slecht in het beeldhouwen van draken en vissen van vet als decoratiestukken voor koude buffetten, maar heel goed in gebakjes. Tompoucen, moorkoppen, tarteletjes. Voor 10 cent kon je ze na de les kopen en mee naar huis nemen. Of aan je punkvriendjes voeren.

Koksmuts

Mijn enige echte probleem met die school was de outfit: een totaal uncoole koksbuis en -broek. Daar bestond toen nog maar 1 model en 1 kleur van, dus de enige manier om je identiteit uit te drukken was met je schoenen, de knoop in je halsdoek en hoe je je muts op je hoofd zette. Da’s even slikken, als je 17 bent en van panterleggings houdt. Maar de ontdekking dat gevulde koeken bakken net zo leuk is als ze eten, maakte alles goed. En allebei nog beter. Waarvan akte.