Dingen die álle Nederlandse toeristen in het buitenland doen (ja, jij ook)

Een zonnebril op je voorhoofd, je teenslippers nog nat van het zwembad en onder je arm een opgerolde strandhanddoek met iets oranje. Of je nu op een Grieks eiland zit, een boulevard afstruint in Spanje of op safari bent in Zuid-Afrika: de Nederlandse toerist is overal en ze zijn zo lekker voorspelbaar.

We noemen geen namen, maar dit zijn de dingen die élke Nederlandse toerist in het buitenland doet. Inclusief jij. Ja, jij daar met je dropjes in je koffer.
1. Doen alsof je geen Nederlander bent
Op Schiphol was je nog hartstikke sociaal. Maar eenmaal op je vakantiebestemming? Opeens kruip je in elkaar zodra je op het terras twee landgenoten hoort zeggen: “Doe mij maar een wit wijntje.” En dan: oogcontact vermijden, snel je gezicht in de menukaart begraven, fluisteren in plaats van praten. Alles om maar niet herkend te worden als… nou ja, precies wat je zelf ook bent: een Nederlandse toerist.
2. Doen alsof je geen toerist bent
Want hallo: jij gaat níet naar de toeristische trekpleisters (behalve de highlights, natuurlijk). Jij weet de geheime plekjes te vinden “waar de locals ook eten”. Jij snapt hoe je moet reizen. En je maakt graag even duidelijk dat jij hier niet zomaar bent. Jij bent geen toerist, jij reist. Maar dan wel met je Coolblue-koffer, je Dopper en je ‘oatmilk cappuccino’.
3. Altijd op zoek naar een fietsverhuur
Of je nou in Valencia, Parijs of Bali bent: op dag twee moet er gefietst worden. Want niets geeft zo’n gevoel van vrijheid als fietsen in een stad waar niemand fietst. “We voelden ons meteen locals!” Totdat je probeert om voorrang te krijgen van een Italiaanse scooterrijder, natuurlijk.
4. Schrikken van de prijzen
“Vier euro voor een espresso?! Dat is in Nederland €2,80 hoor!” Of: “Dit glaasje wijn kost in de supermarkt bij ons maar vier euro per fles.” We kunnen het niet laten om alles om te rekenen en verbaasd te doen. Alsof je niet vrijwillig naar een hele dure plek bent gevlogen. En we hadden je nog wel gewaarschuwd… op vakantie in Europa zijn de prijsverschillen gigantisch.
5. In het Nederlands tegen het personeel praten (maar dan langzaam)
“Mag-ik-vier-koffie?” gevolgd door een gebaar alsof je aan een denkbeeldig kopje nipt. De Nederlandse toerist begint altijd hoopvol in Engels, vervalt in Nederlands zodra het niet direct werkt, en sluit af met overdreven articulatie in steenkolen-Engels. Want als je maar langzaam genoeg praat, komt het vanzelf goed. Toch?
6. Klappen als het vliegtuig landt
Niet élke Nederlander doet het (godzijdank), maar toch: er landt geen vliegtuig zonder die ene persoon die bij het eerste contact met de landingsbaan al hysterisch begint te applaudisseren. En dan, trots tegen de medepassagier: “Hij zette ‘m wel netjes neer, hè?”
7. Het over het weer in Nederland hebben
Het allerlekkerste vakantiegevoel: als het in Nederland kutweer is. En visa versa: niks erger dan op vakantie gaan en het weer ter plekke in slechter dan thuis. Ja, ‘het weer’ speelt de hele vakantie een grote rol. Of het nou tropisch heet is of 16 graden en bewolkt: de Nederlander heeft ook altijd een mening over het weer: “Het is wel vochtig hè.” En dan het liefst nog even een weervergelijking met Nederland erbij: “Nou, daar regent het de hele week.” Alsof je dat vakantiegevoel nog even moet valideren.
8. In de Spaanse supermarkt doen alsof je vloeiend Spaans spreekt
Ze lopen er rond in badslippers, zonnebril op het hoofd, net iets te rood verbrand en met een mandje vol chorizo, chips en Mahou-bier. Maar zodra ze bij de kassa staan, komt het moment suprême: de kans om hun zorgvuldig ingestudeerde Spaanse zin in de strijd te gooien waardoor het zomaar zou kunnen lijken alsof ze vloeiend Spaans spreken. “Puedo pagar con tarjeta?” Pinpas van de Rabobank uiteraard al in de hand, want stel je voor dat je moet improviseren. De caissière van de Mercadona knikt beleefd, ze heeft deze zin vandaag al 28 keer gehoord, maar de Nederlandse toerist straalt van trots. (NB. Ik ben zo iemand).

9. Te weinig fooi geven
In Nederland vinden we een fooitje van 50 cent al genereus als de ober ons drie keer water heeft gebracht, uitleg heeft gegeven over de wijnkaart én onze kindermenu’s met een glimlach heeft uitgeserveerd. En die zuinigheid nemen we massaal mee op vakantie. In landen waar je minimaal 10% fooi hoort te geven, Spanje, Italië, Frankrijk, noem maar op, zie je ze aan tafel al rekenen: “Weet je wat, rond het maar af naar 47,10. Dan klopt het precies.” Of nog erger: die ene munt van 1 euro die tactisch in de broekzak blijft omdat je die ‘misschien nog nodig hebt voor het toilet bij het strand’. En dan maar verbaasd zijn als de serveerster niet “gracias” zegt met een glimlach, maar met een opgetrokken wenkbrauw terugloopt naar de bar.
10. Bij terugkomst ben je de expert
Het typische Nederlandse gedrag komt ook gewoon weer mee terug. Eenmaal thuis ben je ineens dé expert op het gebied van de regio. Want jij weet nu waar je echt heen moet. Jouw tips zijn niet te vinden op Google Maps. En ja, die ene trattoria aan het eind van dat steegje, daar moet je écht heen: “maar wel op dinsdag, want dan kookt de oma van de eigenaar.”
De Nederlandse toerist? Dat ben jij gewoon
Want geef maar toe: van je zelfgemaakte pistolets op het strand tot je favoriete filterkoffie meenemen en stiekem blij zijn als je landgenoten de hele week thuis in de regen zitten; het is ook gewoon lekker jezelf zijn op vakantie. En juist dát is typisch Nederlands. Dus de volgende keer dat je je in slow motion afwendt van een medelandgenoot op een Grieks terras? Gewoon even vriendelijk knikken. Want stiekem weet je allebei: we zijn precies hetzelfde.
Lees ook:
- Wat je niet moet doen in Italië (en je waarschijnlijk toch doet)
- Toeristen oplichten? Dit zijn de grootste trucs (en jij trapt er waarschijnlijk in)
- 12 vieze Franse gerechten die je misschien wilt vermijden op vakantie











